Men neme

Men neme: vele dagboekjes, een laptop, een printer. Vervolgens, gewapend met gezellig gekleurde pennen (geen ‘juffen’rode deze keer), corrigeer je het gehele manuscript minutieus. Met veel vasthoudendheid (want: Waar haal je de tijd vandaan? Zit men er wel op te wachten? Kan ik dit wel?) zet je door en maak je het af.

Wat helpt is mensen die je tussentijds achter je vodden zitten en verlangend vragen: ‘En? Is je boek al af?’ ‘Wanneer is je boek af?’ Deze mensen beloof je dan dat je je kerstvakantie zult opofferen. Dus spreek je met je pubers af dat je ze niet wilt zien voor twaalf uur (wat geen moeilijke opdracht is voor ze) en ga je iedere morgen rond zes uur op, om een aantal productieve uren te hebben. Resultaat na twee weken: de ruwe versie van het tweede boek.
Daarna volgt een periode van ‘rijping’, waarin er ogenschijnlijk niet veel gebeurt, maar waarin je afstand neemt van de tekst en ondertussen nadenkt over titel, deadline (die van Moederdag opschuift naar 30 juni met een heel goede reden), omslag, zelf uitgeven of niet (ja dus).
Dat corrigeren en herschrijven doe je in de meivakantie nog eens en voilà, het tweede boek neemt serieuze vormen aan.
Je perfectionisme laat je dit keer meer varen, dus durf je mensen jouw versie tot nu toe te laten lezen en durf je ze om feedback te vragen. Je hebt een verhaal, maar of je het mooi kan opschrijven weet je niet. Vind de lezer delen van het boek niet leuk? Dan slaan ze die stukken over. Vinden ze jou niet leuk? Dat mag. Eerlijk is eerlijk: soms ergerde je je aan jezelf, dus mag de lezer zich ook ergeren. Een ding is zeker: je hebt je opnieuw kwetsbaar opgesteld. ‘Gewoon’, omdat dat bij je past.
Ingewikkeld vrouwenbrein? Best wel. Of hoort dit gewoon bij het schrijfproces?